
Monstermeisje Van Annet Schaap
Slaap je weleens slecht, of niet? En heb je al een bodyscan gedaan, of twee, of een ademmeditatie, of metta... Soms helpt het dan je aandacht te verplaatsen in een verhaaltje. Als je halverwege in slaap valt, prima! Dan luister je er een andere keer nog eens naar. Dat kan met dit verhaaltje heel goed. Dit is een hedendaags sprookje waarin het meisje nu eens geen hulpeloos, mooi wezentje is. Er zitten veel levenswijsheden in verstopt in een fijn geschreven stijl. Niet moralistisch, maar grappig en luchtig. Annet Schaap schreef én illustreerde De Meisjes, waarin 7 sprookjes staan. Dit is er eentje van. Ze zijn voor alle leeftijden! Veel luisterplezier!
Transcript
Hallo,
Mijn naam is Rianne Schoenmakers.
Ik heb een historie van slecht slapen.
Ik ben een lichte slaper.
Ik kan soms uren wakker liggen s'nochts.
Het komt er ook wel eens voor dat ik niet makkelijk kan inslapen.
Of dat ik alsmorgens heel vroeg wakker ben en het eigenlijk nog te vroeg vind om al uit bed te gaan.
En wat mij helpt of wat ik heel prettig vind,
Heb ik gemerkt,
Is het luisteren van verhaaltjes.
En dat kunnen dan fantasieverhalen zijn of onzinverhalen.
En soms val ik halverwege in slaap.
Soms luister ik het helemaal af.
Maar ja,
Mocht je het niet helemaal meemaken,
Dan zet ik het gewoon een dag daarna nog een keer op.
En om die reden dacht ik,
Misschien heb jij daar ook last van en vind je het wel leuk om eens een verhaaltje te luisteren.
Dit verhaal komt uit het boekje De Meisjes van Annette Schaap.
Zij heeft zeven sprookjes herschreven naar de huidige tijd,
Geëmancipeerde tijd.
En ik vind ze zelf heel erg leuk.
Dit verhaal heet Monstermeisje.
Storm Het meisje zit te borduren in de torenkamer.
Met kleine kruistekens werkt ze aan de D.
De D middenin,
Geduld is een schone zaak.
Prinsessen horen prachtig te kunnen borduren,
Maar haar werk wordt nooit echt mooi.
Haar vingers zijn te groot en te grof voor dit kleine naaltje.
Ze prikt zichzelf,
De draad raakt in de knoop en haar steken zijn niet klein en netjes genoeg,
Volgens de brave dame Morsegat.
Die zit aan haar tafel een nuttig boek te lezen.
En toch ziet ze altijd alles wat het meisje doet.
Ogen op uw werk,
Prinses,
Zegt ze elke keer als het meisje uit het raam wil kijken.
Vandaag dwalen haar ogen telkens af.
Het waait buiten,
De ramen klepperen onrustig.
De lucht in de verte is donker,
De zee ronder wijd en leeg tot aan de horizon.
Op een dag zal daar een prins aankomen varen,
Weet het meisje.
Een prins van ver die haar komt halen.
Zijn zeil zo wit als zijn gebit en zij mag met hem mee.
Zijn rijk ligt ver over de zee,
Blauw zijn ogen,
Blauw zijn bloed.
Dan ziet hij haar,
Dan kust hij haar.
En dan,
En dan,
En dan komt alles goed.
Maar nu nog niet natuurlijk.
Ze is nog niet klaar om een prins onder ogen te komen.
Nog langer niet,
Nog langer niet.
Hij zou zich doodschrikken.
Ze borduurt het laatste kruisje van D en zucht als ze kijkt naar de letters die ze nog moet versieren met hartjes en bloemenkransen.
De U en de L en de andere D,
De I,
De S,
De E's daarna.
Ze heeft meer taken dan er wolken zijn boven zee.
De wind blaast er nog meer aan,
Donderkoppig en grijs.
In de verte bliksemt het al en de regen waait tegen de ramen.
Ogen op je werk,
Prinses,
Zegt ze tegen zichzelf.
En dan ziet ze iets.
Heel in de verte,
In een zonnestraal die door de wolken piept,
Glinsert een klein wit driehoekje.
Het flappert en wappert en wordt ongebuiteld door de wind.
Ze wordt opeens helemaal zenuwachtig.
Zou dat hem zijn,
Nu,
Vandaag?
Ze legt haar naaltje neer.
Kijk,
Wijst ze,
Daar.
De brave dame Mossegat kijkt niet eens op uit haar boek.
Niet zo gillen.
Een prinses spreekt zachtjes,
Prinses.
Maar ik zie iets.
Het meisje staat op.
Geduld is een schone zaak,
Glijdt van haar schoot op de grond.
Daar vaart iets.
Ze praat zo zacht mogelijk,
Maar toch vult haar stem de kleine kamer.
Een schip.
Een schip?
Wel,
Nee.
Verbeelding,
Prinses.
Natuurlijk is het verbeelding.
Vroeger,
Toen ze hier nog maar net woonde,
Zag ze in elke schuimkop een schip.
Liep ze iedere keer met opspringend hart naar het raam.
Daar is hij dan,
Dacht ze.
Eindelijk.
En werd meteen blij en bang tegelijk.
Maar het was altijd iets anders.
Een golf.
Wat opspat een schuim.
De gladde rug van een vinvis.
Of één keer per maand het voorraadbootje.
Nooit een schip.
Nooit een prins.
Op uw stoel,
Prinses.
En rap uw werk van de grond.
Zo komt er stof op.
Gehoorzaam gaat het meisje zitten.
Maar haar ogen blijven kijken naar het raam.
Het regent harder en de druppels trekken strepen op het glas.
Er doorheen lijkt het scheepje er telkens evenwel te zijn.
En dan weer niet.
Het zwoeg tegen de storm in.
Ze ziet het zeiltje scheuren.
Het masje knakken als een droge dak.
Dan neemt de golf alles mee en is de zee weer leeg.
Als het haar prins was,
Dan is zij nu verdronken.
Och nee,
Prinses.
De brave dame Morsegat is bij haar tafel komen staan.
En kijkt hoofdschuddend naar haar borduurwerk.
De D is veel te grof.
Zo lijkt het wel een B.
Gebult staat er.
Ik weet niet wat gebult is,
Maar een schone zaak is het natuurlijk niet.
Haalt u maar uit en begin maar opnieuw.
Haalt u maar uit en begin maar opnieuw.
Het meisje neemt de naald weer op.
De wind haalt nog eens adem en blaast om de toren.
Huuuh,
Zegt de brave dame Morsegat.
Hondenweer.
We moeten onze avondwandeling maar uitstellen vandaag.
Drenkeling Die wandeling maken ze de volgende ochtend.
Overslaan mag nooit,
Want wandelen is goed voor de spieren en de bloedsomloop.
En elke dag een frisse neus halen is verplicht voor een prinses.
Over het pad langs de toren lopen ze naar het strandje.
Veel meer valt er niet te wandelen op het kleine eiland.
Het meisje steekt wel twee koppen boven haar begeleidster uit,
Dus zij ziet het het eerst.
Er ligt iets bij de vloedlijn.
Een loge vorm,
Nog half in het water.
Hergret,
Een dode zeehond,
Zucht de brave dame Morsegat.
Als dat maar niet gaat stinken.
Maar een zeehond is het niet,
Zien ze als ze dichterbij komen.
Wijd uitgespreid,
Met armen en benen,
Ligt daar iemand op het strand.
Zijn hemd plakt grijs van het vuil en groen van het wier aan zijn rug.
Een van de mouwen is donkerrood.
Met drie stappen is het meisje bij hem.
Haar voeten zakken diep in het zand.
De kuilen vullen zich snel met zeewater.
Prinses,
Nee,
Niet aankomen!
De brave dame Morsegat blijft liever op het pad.
Laat liggen,
De zee neemt dat wel mee.
Het meisje blijft staan bij het stille lichaam.
Nee,
Een prins is het niet.
Zijn haren zijn stoppelig.
In zijn oor glinstert een ringetje.
En wat ze kan zien van zijn bruine armen is wild getatoeëerd.
Hartendief,
Leest ze.
Stormvloek.
De linker ligt in een vreemde knak.
Kom mee,
Prinses.
De zee is vreed.
Dat is nu eenmaal zo.
Laat dat een les zijn.
De brave dame Morsegat draait zich om en wil haar teruglopen.
Kom,
Tijd voor je aardrijkskunde.
Maar hij ademt,
Zegt het meisje.
De borst van de man gaat op en neer en uit zijn mond komt gekreun.
Hij leeft nog.
Oh,
Hemeltje,
Nee toch.
De brave dame Morsegat wil liever geen zand aan haar rokken en tilt ze hoog op als ze met kleine stapjes dichterbij komt.
Kom er maar niet aan,
Prinses.
Maar het meisje heeft zich over de man heen gebogen,
Pakt hem bij de schouders en trekt hem wat hoger op het zand.
Omdat haar armen zo sterk zijn,
Gaat dat gemakkelijk.
Voorzichtig draait ze hem op zijn rug.
Zandkorrels en baardstoppels bedekken zijn hals en wangen.
Met zijn goede hand tast hij naar zijn bebloeden mouw en kreunt.
Heeft u me niet gehoord?
Het is niet onze zaak.
Vooruit,
Mee naar binnen nu.
Altijd doet het meisje wat de brave dame Morsegat zegt.
Maar nu is het alsof ze haar niet hoort.
Ze trekt haar roze vest uit en legt dat voorzichtig onder het gebutste hoofd.
Het is een akelig kriebelvest,
Maar het ligt vast zachter dan het harde zand.
Koel blaast de wind opeens onder haar hemd.
In hemelsnaam,
Houd uw kleren aan,
Schrikt de brave dame.
Een prinses kleedt zich onder alle omstandigheden fatsoenlijk.
In de zak van haar rok vindt het meisje de merklab van gisteren.
Gebuld is een schone zaak.
Daarmee dept ze zachtjes wat bloed weg.
Het hoofd op het roze vest knippert met de ogen.
Laat toch!
De brave dame Morsegat duwt haar hand weg.
U maakt het alleen maar erger.
EHBO zit in mijn takenpakket.
De ogen gaan open,
Groot en bruin.
Ze kijken het meisje recht in haar gezicht.
Dag,
Meneer,
Zegt ze verlegen.
Gaat het?
Heeft u pijn aan uw arm?
Misschien kan ze hem optillen en naar boven dragen.
Misschien kan ze het meisje in haar hand nemen.
Misschien kan ze hem optillen en naar boven dragen.
Misschien kan ze.
.
.
Met een schorre gil klauwt de drenkeling zich door het zand van haar weg.
Godsamme,
Ik schrik met de pleuris.
Ze schrikt van zijn schrikken.
Van haar natuurlijk.
Omdat zij een monster is.
Lelijk en vreselijk.
Ze staat op,
Struikelt achteruit en rent terug naar de toren.
Bonk,
Bonk,
Gaan haar voeten.
Hé,
Roept hij achter haar.
Wat,
Waar,
Wacht effe.
Ze wacht niet.
Met twee treden tegelijk klimt ze de trappen op en slaat de deur achter zich dicht.
Boven staat ze een tijdje voor de spiegel.
Monster,
Ziet ze.
Monsterneus.
Monsterkin.
Daaronder een monsterlichaam.
Dat als een veel te groot ding om haar heen zit.
Dat telkens tegen iets aanbotst of dingen omstoot.
Dat alleen in haar jurken en korsetten past als ze haar ademver inzuigt.
Met nagels als klauwen al velt ze ze nog zo vaak weg.
En oh,
Die haren overal.
En de achterkant is beslist nog erger.
Ze is vreselijk.
Ze kan niet gezien worden.
Even was ze het vergeten.
Maar nu weet ze het weer.
Na een tijdje deurt ze door het raam te kijken.
Half achter het gordijn.
Ze ziet hoe beneden de man overeind is gekomen en wankel met de brave dame Morsegat meehingt naar het voorraad schuurtje.
Als hij omhoog kijkt duikt ze weg.
Prinsesje.
Haar arme ouders waren zich ook doodgeschrokken natuurlijk.
Het pasgeboren prinsesje pastte in geen van de klaarliggende kanten jurkjes en in geen enkele wieg.
Ze moest er twee lakijen versjouwd worden.
Die legden haar maar in een van de logeerbedden.
Er waren toch geen gasten.
We kunnen nooit meer gasten ontvangen,
Huilde de koningin.
Niet met dat in huis.
Ik zou me doodschamen.
Ze stond met de koning te kijken naar de slapende bult onder het lakentje.
Waar kwam het vandaan?
Hoe was het zo gegroeid?
Dachten ze.
Wij zijn toch heel normaal?
Ze keken voor de zekerheid nog eens naar elkaar.
Nee,
Niet te groot,
Niet te klein en zeker niet harig of hoornig of raar.
En dan krijgen we zoiets,
Snikte de koningin.
Zo'n,
Zo'n.
Ze zijn niet monster,
Maar ze dachten het wel allebei.
Ach,
Zo erg is het vast niet,
Probeerde de koning.
Als je zo kijkt en een beetje door je oog haren,
Dan lijkt het al veel,
Is het al best.
En het kan misschien toch nog wel goed komen,
Toch?
Misschien groeit ze overheen.
Natuurlijk komt het niet goed.
De koningin was niet te troosten.
De gordijnen gingen dicht.
Het doopfeest werd afgeblazen.
Niemand krijgt haar te zien,
Snikte ze.
Niemand.
Ontbijt Niemand?
De matroos kijkt over het water.
Is er niemand anders aangespoeld?
Ben ik de enige?
Zijn arm bungelt in de mitella die de brave dame in Morsingat kundig heeft aangelegd.
De wond is lelijk en op zijn enkel mag hij nog niet staan.
Hij heeft geslapen op een meelzak in het schuurtje,
Een hele dag en een hele nacht.
En nu staat hij daar aan hun strandje hinkend te vloeken.
Het meisje loopt langzaam over het pad dichterbij.
Haar knieën wat gebogen om kleiner te lijken.
Haar corset strak aangetrokken.
Ze wilde liever niet naar buiten.
Maar regels zijn regels.
En de ochtendwandeling hoort er nu eenmaal bij.
Daar kunnen we niet van afwijken,
Alleen maar omdat we een ongenodig gast hebben,
Prinses.
De ongenodig gast kijkt gelukkig niet naar het meisje.
Hij staart naar het water alsof hij verwacht dat daar toch nog iemand uit de golven op zal duiken.
Dat gebeurt natuurlijk niet.
Helaas,
Zegt de brave dame Morsingat,
Wij hebben enkel u aangetroffen.
Wel hel donder en pokkenzooi!
Kunt u zich misschien een beetje fatsoenlijker uitdrukken?
Dit is geen taal voor de oren van een jong ontvankelijk meisje.
De matroos lijkt het niet te horen.
Hij schopt hard in het water alsof hij de zee pijn wil doen.
Knakt door zijn verstuikte enkel en valt op zijn knieën in de branding.
Au,
Godskrikken!
Hij vloekt weer en spuugt de mond water uit.
Bil!
Zak!
Idioot!
Hatjes!
Stuur!
Jeroer!
Recht gehouden!
Kom mee naar binnen,
Prinses.
Hier kunt u weinig goeds van leren.
Het strandje ligt vol gladgescheurde grijze stenen.
De matroos raapt er een handvol van op en smijt ze de gezonken boot achterna.
Sjoerd!
Korneel!
Stomme idioten,
Zit ik hier alleen!
Hier past medeleven,
Prinses.
Onderwijst de brave dame morsengat als ze zich alweer omdraait om terug te lopen.
Het spijt ons oprecht dat u uw kameraden moet missen.
Missen?
Ik ga ze mooi niet missen!
De matroos kelt nog een kei achter de andere aan.
Idioten waren het!
Ontzettende stonkoppen allemaal!
Als u straks de trap op kunt,
Is er boven ontbijt.
Blij dat ze verzopen zijn,
Roept hij nog eens.
Maar het meisje ziet dat hij zijn ogen afheegt en zijn neus snuit in iets wits dat haar foutgeborduurde merklab nog moet zijn.
Hij hoest een paar keer en spuugt nog eens in het water.
Dan wil hij wel ontbijt.
Aan tafelboven doet de matroos alles wat het meisje geleerd heeft om niet te doen.
Schrokken,
Slurpen,
Ongevraagd meer opscheppen.
De brave dame morsengat kan er weinig van zeggen,
Want hij is niet haar pupil.
De blikken die ze hem toewerpt,
Zouden het meisje in één doen krimpen.
Maar de matroos eet rustig door.
Ze probeert niet te veel naar hem te kijken en houdt haar ogen op haar eigen bord.
Prinsessen eten maar kleine beetjes.
Blaadjes sla,
Plakjes tomaat,
Eenmaal per week een zacht gekookt eitje.
Ze heeft altijd honger.
En toch is ze nog steeds veel te zwaar en moet ze haar adem elke dag verder inzuigen om haar corset dicht te ruigen.
Maar ademen is minder belangrijk dan een mooie taille.
En die van een prinses hoort nu eenmaal wespsmal te zijn.
De matroos werkt in één keer de hele maand voorraad eieren naar binnen.
Hij veert zijn mond af aan de tafellaken.
Dan pas kijkt hij op van zijn bord.
Waar ben ik eigenlijk?
Zegt hij.
Wat doen jullie hier in het midden van… Hij staart uit het raam.
Van helemaal niks?
Moeizaam staat hij op en hinkt een rondje door de kleine torenkamer.
Langs tafel zijn lessenaars,
De bergkast,
De muren met planken vol prenten,
Naaimandjes,
Leerzame boeken.
Alles wat een jong meisje weten moet en mag,
Lichaamsoefeningen en diëten,
De zeven deugden en hun toepassingen.
Zeven deugden,
Mompelt hij,
Doe maar.
De zeven zeeën,
Die ken ik.
De zwarte,
De rode,
De grote,
De stille.
Wat interessant.
De brave dame Morsegat begint de borden op elkaar te stapelen.
Misschien kunt u tijdens de aandrijkskundeles eens aanwijzen welke plaatsen u bezocht heeft.
Tuurlijk,
Ben overal wel eens geweest.
Hij kijkt naar het meisje dat naar haar bord kijkt.
En ik dacht dat ik alles ook al wel eens gezien had.
Maar niet nu,
Helaas.
We hebben zoals altijd een druk programma.
O ja,
Zegt de matroos,
Zeker.
Een prinses dient grondig onderwezen te worden en dat is geen kleinigheid.
O nee,
O hemel nee.
Ze moet nog zoveel leren voor ze klaar is voor de grote dag.
En heel vlot gaat het allemaal niet.
O,
Zegt de matroos.
Over tafel heen kijken twee paar ogen naar het monstermeisje op haar te kleine stoel.
Haar knieën passen maar net onder tafel.
Maar we wanhopen niet.
Geduld is een schone zaak,
Niet waar prinses?
Het meisje schuift haar stoel naar achteren,
Staat op en loopt de deur uit.
Prinses,
Roept de brave dame morsegat haar na.
Als wij van tafel gaan,
Zeggen we hartelijk dank.
Ik zal niet meer gebruiken.
Maar het meisje heeft haar slaapkamerdeur al dichtgeslagen.
Achter zich hoort ze de matroos zeggen.
Ik wil nog wel wat gebruiken.
Ken je dat ook?
Krimpdrankjes O,
Het prinsesje groeide wel,
Maar nergens overheen.
Als ze speelde,
Trilden de spiegels in de lege gangen.
Als ze huilde,
Schudde het hele paleis.
Ze huilde vaak.
De koningin kreeg er migraine van.
Ga haar dan troosten,
Zei haar man.
De koningin haalde haar schouders op.
Wat moet ik zeggen?
Gewoon,
Zei de koning,
Lieve dingen.
Er kwamen nooit lieve dingen bij de koningin op,
Als ze haar dochter zag.
Zo haarig,
Zo tandig,
Zo vreselijk groot.
Ze had een dochtertje willen hebben om leuk aan te kleden,
Om mee te pronken op een rijtour door de stad.
En ze wilde ook wel weer eens een feest geven of gasten ontvangen,
Maar dat kon allemaal niet met dat in huis.
En geen dokter wist raad.
Krimpdrankjes,
Wisselbaden,
Zure melk die eten,
Niets hielp.
Niets veranderde het uiterlijk van het prinsesje.
Tja,
Soms valt het zo uitzieren,
Zeiden de dokters.
Ze moesten een beetje schreeuwen om over het geluid uit de kinderkamer heen te komen.
U zult ermee moeten leren leven.
Wat heb ik aan jullie?
Riep de koning.
Donnen maar op!
Dat deden ze,
Haastig en zo beleefd mogelijk.
Met zijn ongeschoren hoofd in zijn handen zat de koning op zijn troon.
Gehuil klonk uit de kamer van zijn dochter.
Gesnik uit het boudoir van zijn vrouw.
Hoe kon hij zich zo concentreren op het regeren van het land?
Want dat moest ook natuurlijk.
Gedoe,
Dacht hij boos.
Gedoe en onrust,
Dat moest maar snel uit zijn.
Kist Onrust,
Brengt de matroos.
Hij scharrelt over het strandje beneden.
Sleept wrakhout uit de branding,
Schreeuwt een beetje tegen de meeuwen die even hard terugschelden.
Het meisje kijkt telkens naar buiten.
Ze moet haar geschiedenis leren.
Ze is vreselijk achter met haar tafels.
En waar is haar bouduurwerk gebleven?
Ik weet het niet,
Fluistert ze.
Kwijtgeraakt of zo,
Het spijt me.
Maar ze weet best waar het is.
Volgesnoten en weggepropt in een broekzak beneden.
Heel slorg om zo met uw werk om te gaan.
Een prinses is altijd netjes en precies.
De brave dame,
Mocht ze gaat,
Trekt een schoon wit lapje uit de kast.
Maar ik zal het voor deze keer door de vingers zien.
Begint u maar opnieuw.
Eén voor één moet ze de letters weer overtrekken.
En ze dan kruisje voor kruisje invullen.
De G en de E en de D.
En netter werken ditmaal.
Niet te haastig.
Geduld is een schone zaak.
Beneden sleept de matroos lege scheepstonnetjes uit de branding.
Hij keert ze om en gaat met zijn hoofd in zijn handen zitten kijken naar de horizon.
Daar is weinig te zien.
Leeg is het er als haar nieuwe lapje.
Oog op uw werk,
Prinses,
Zegt de brave dame,
Mocht ze gaat.
Daar wijst de matroos als de twee langs wandelen die avond.
Dat is er eentje van ons.
Even uit de kust dobbert een houten kist.
De zee duwt hem telkens een stukje dichterbij en trekt hem dan weer terug.
Om te pesten,
Lijkt het wel.
Op één goed en één slecht been hinkt de matroos door de branding.
Hij heeft een lang,
Pluizig touw gevonden dat hij als een lasso om de kist heen probeert te werpen.
Met één arm valt dat niet mee.
Een paar keer lukt het bijna,
Maar telkens glijdt de touw weer weg.
De golven duwen de kist heen en terug.
Heen en weer terug.
Haha,
Zeggen ze,
Lekker niet.
Ik zou uw been nog niet te veel belasten,
Zegt de brave dame,
Mocht ze gaat.
Dat bevordert het genezingsproces niet.
Vast niet,
Gromt de matroos,
Maar ik wil die kist.
We kunnen niet altijd krijgen wat we willen.
Dat leren we hiervan.
Zeg,
Dame,
Blaast de matroos,
Dat kun je met haar wel uithalen misschien,
Maar niet met mij.
Ik wil verdomme mijn kist.
En als u godslastelijke taal uitslaat,
Dan spreken wij niet meer met u.
Oordicht,
Prinses,
Tijd voor thee en dik thee.
Braaf,
Drukt het meisje haar handen tegen haar oren,
Maar niet zo stijf dat ze het gevloek niet meer hoort.
De woorden zijn nieuw.
Ze landen ergens in haar als zaadjes van een exotische plant.
Vieze,
Vuile,
Helle donder,
Tiefe steringkist.
De brave dame morsigat is snel doorgelopen.
Maar het meisje blijft nog even staan kijken als de matrozen touw nog eens gooit.
Het kletst in het water weer mis.
Sta je mij een beetje uit te lachen?
Ze schrikt en schudt haar hoofd.
Natuurlijk niet.
Ze wou gewoon even zien of je hem binnen zou halen,
Die tiefe steringkist.
Hoe zou het zijn om dat haar top te zeggen?
Hé,
Meisje,
Haal jij hem anders even voor me uit het water,
Ja?
Ze schrikt.
Zij?
Ik zou het zelf doen,
Maar hij steekt zijn geknakte enkel uit.
Prinsessen zwemmen niet,
Molbotse.
Je hoeft niet te zwemmen.
Zo diep is het niet.
En jij bent lang zat,
Toch?
Haar wangen kleuren meteen.
Veel te lang.
Veel te groot.
Veel te.
.
.
Een paar stappen en je hebt hem.
Toe,
Liefie.
Het meisje aanzot.
Het water is streng verboden.
Nat worden is streng verboden.
Aan de andere kant horen prinsessen hulpvaardig te zijn voor hun medemens.
Wie goed doet,
Goed ontmoet.
Heeft ze laatst nog geborduurd.
Toe,
Meisje,
Doe het even voor me.
Ze kijkt om.
De brave dame Morssegat staat er niet om nee te zeggen.
De matroos lacht breed naar haar en ze lacht een half lachje terug.
Misschien kan ze hem gewoon even pakken,
Die vieze vuile teringkast.
En voor ze weet wat ze doet,
Schopt ze haar altijd de kleine schoenen uit.
Prinsessen hebben kleine zoete voetjes.
En loopt een paar stappen het water in.
De golven omspoelen haar kuiten.
Het zand is zacht en de zee is fijn koud aan haar tenen.
Prinses,
Klinkt de stem van het strand.
Wat doet u?
U gaat toch niet zwemmen?
Ze hoeft niet te zwemmen.
Ze steekt nog ver boven water uit als ze een paar stappen verder door de branding loopt.
De zee rukt aan haar rokken en maakt ze zwaar.
Maar zelf voelt ze zich wonderlijk lichter dan anders.
Alsof het water helpt om haar te dragen.
Nog een klein stukje,
Dan is ze er.
Ho,
Jo,
Prinses,
Roept de matroos aan haar.
Ja,
Daar,
Pak hem!
Ze heeft de kist bijna als haar voet in de kuil stapt.
Kopje onder gaat ze.
De brave dame morsergat gilt.
De matroos brult.
Zout water vult haar neus en haar mond en even weet ze niet wat boven is en wat onder.
Maar dan vinden haar voeten de bodem en duwt ze zich omhoog.
Zeewater stroomt uit haar haren en kleren.
Zanderig,
Vissig,
Zout.
Ze wrijft haar ogen uit.
Hier is zij en daar drijft de kist.
Prinses!
Aan land!
Ogenblikkelijk!
Ik kom al,
Proest ze,
Ik heb hem al.
Ze duwt het half ondergelopen gevaar ervoor zich uit naar het land.
Daar kantelt ze hem kopje over tot hij op zijn buik in het zand ligt.
De matroos hinkt dichterbij.
Mogelt even met zijn mes en het deksel valt open.
Zeewater,
Zand en wat meegelifte kwalletjes schudt ze naar buiten.
En nog een paar dingen.
Twee druipende schoenen.
Een klein houten doosje.
Een bord met zwart-witte vakjes,
Iets zwarts.
De matroos raapt het op en wringt het uit.
Bil,
Idioot,
Kijk nou,
Ik heb je,
Muts!
Brult hij schor over het water.
Hij zet het ding op zijn hoofd.
Echt niet,
Maar het is nu eenmaal besloten.
Ik denk echt dat het beter is zo.
Ze zwaaide een tijdje,
Maar hielden er al mee op voor het bootje uit zicht was.
Bootje De betrouwbare meneer Marbu zet zakken en kisten op de wal.
Hij is de broer van de brave dame Morsegat.
Vroeger waren zij tweeën de allerbraafste kinderen van het hele land,
Vertelt ze wel eens.
Dat kun je nog wel zien.
Ze geven elkaar een korte hand bij het komen en een beleefd knikje bij het afscheid.
Meer is onzin.
Elke tweede maandag van de maand brengt hij nieuwe voorraden en neemt het afval mee.
En nu ook de matroos.
Voorzichtig op zijn goede voet stapt hij aan boord.
Het schaakbord mag je houden,
Heeft hij gezegd.
Oefen maar,
Voor als we elkaar nog eens zien.
Wanneer zou dat zijn,
Denkt het meisje.
Nooit natuurlijk.
Tot volgende maand maar weer zus,
Knikt de betrouwbare meneer Marbu.
Hij start de kleine motor al.
De wind is guur en blaast onder de rokken van de twee vrouwen,
De grote en de kleine.
Heb je meneer welbeleefd bedankt,
Vraagt de kleine,
Voor alles wat hij ons geleerd heeft.
Het meisje knikt en verbergt haar klauwen achter haar rug.
Het is goed hoor,
Zegt de matroos.
En zonder jullie was ik verzopen,
Dus ook bedankt.
Het meisje wil niet naar hem kijken,
Maar doet het toch even.
Recht in zijn grote bruine ogen.
Hij steekt zijn nietgewonde hand naar haar uit.
Ga je echt niet mee?
Mee?
Dat monster,
Roept de betrouwbare meneer Marbu.
Mijn arme schuitje zou zinken,
Daar heb je een vrachtboot voor nodig,
Een ijzeren boeg.
Hij grinikt om zijn eigen grapje,
Start snel en stuurt weg van de steiger.
Het geluid van zijn lach is langer te horen dan dat van de motor.
Maar na een tijdje is ook dat verdwenen en horen ze alleen nog de zee,
Die een beetje tegen het strand klotst.
Wel,
Zegt de brave dame Morsegat,
Dat was dat.
Over tot de orde van de dagprinses.
Over het bad lopen ze terug naar de toren,
Die midden in zee staat.
Zo verschrikkelijk ver van alles af.
Gebult Het meisje werkt aan de laatste k.
Met kleine kruisjes geeft ze hem een extra krulletje aan zijn poot.
Nog een laatste bloemetje,
Dan is ze klaar en kan het lapje bij de anderen in de kast.
De brave dame Morsegat klikt tevreden.
Wat doen we hierna,
Prinses?
Ik dacht zelf aan eindgoed algoed.
Wat denkt u?
Ze hoest,
Want ze heeft kou gevat vorige week bij dat vieze vuurtje.
Het meisje heeft al de hele week alleen moeten wandelen,
Maar dat vindt ze niet erg.
Als ze naar buiten loopt,
Potst haar hoofd tegen de deurpost.
Ze is alweer gegroeid.
Wanneer houdt ze daar toch eens mee op?
Op het strand staan overal zijn voetstappen nog.
Ze ziet zijn spijkerzolen en de diepe put van zijn stok.
Rond het uitgebrande kringetje houtskool liggen de tonnetjes.
En het bord met de stukken staat op de kist van Bil.
Ze heeft het niet aangeraakt,
Ze heeft niet geoefend.
Waarom zou ze?
Ze gaat hem toch nooit meer zien.
En het kan haar niet schelen ook.
Ze wil alweer teruglopen over het pad,
Maar haar voeten gaan opeens het zand op.
Ze lopen zijn sporen na,
Stampen eroverheen en maken ze onzichtbaar.
Weg ermee,
Denkt ze.
Ze gaat hem mooi niet missen.
Ze hoopt dat hij verzopen is.
Blij toe.
Ze schopt zand over de houtskool en de lege krabbescharen die daar nog tussen zwerven.
Weg met die rommel.
Van het bord op de kist grijpt ze een handvol schaakstukken,
Loopt naar de vloedlijn en gooit ze zo ver als ze kan in de zee.
Ze buitelen door de lucht en maken kleine plonsjes als ze vallen.
De zwarte koning,
De koningin,
De loper met het valse bekje gaat er achteraan en dan alle pionnen en paarden,
De witte koning en die tyfus teringprins komt ook nooit natuurlijk.
Plets,
Daar gaat hij.
Ze grijpt ook het bord en zeilt het door de lucht.
Ver van het strand kletst het neer en drijft met de wind naar de horizon.
Hel donder en pokkenzooi.
Als ze omkijkt staat alleen de zwarte toren nog op de kist.
Daarachter,
Hoog,
De toren waar ze naartoe gestuurd is,
Honderd jaar geleden.
Het is heus niet voor lang,
Zei haar vader.
Doe maar goed je best,
Dan vliegt de tijd.
Voor je het weet komt de prins je halen,
Echt.
Niemand is gekomen,
Alleen de matroos,
Per ongeluk.
Opeens mist ze hem wel en wil ze de stukken weer terug.
Wil ze op zijn tonnetje zitten en zijn spel spelen.
Wacht,
Roept ze,
Geef ze terug zee.
Ze hobbelt naar de vloedlijn,
Schopt haar schoenen uit en pletst de golven in.
De witte koning ziet ze zo.
De brave dameloper drijft ook langs,
Maar de andere stukken ziet ze niet.
Ze zoekt en kijkt en woelt in het water,
Maar het is leeg als het strand zonder matroos.
Het strekt zich uit tot de horizon.
Ze loopt verder en de zee komt hoger en hoger.
Koel is het water.
Net als toen maakt het haar lichter.
Haar voeten laten de bodem los en dan zwemt ze opeens.
Ze zwemt en hoe verder ze zwemt,
Hoe minder het haar kan schelen.
Als ze omkijkt,
Lijkt alles achter haar opeens klein,
Bijna nietig.
Zelfs de hoge toren.
Zelfs al roept iemand daar,
Prinses,
Wat doet u?
Prinses,
Kom terug!
Het verwaait met de wind.
Is ze wel een prinses?
Ze weet eigenlijk niet wat ze is.
Een meisje,
Een monster.
Misschien is ze een zeewier,
Een boot of een vis.
Iets dat altijd maar door kan zwemmen zonder moeten worden.
Ze laat zich deinen op en onder de golven.
Stroopt zwemmend haar rok af,
Wat absoluut verboden is.
En knoopt haar corset los,
Wat ook volstrekt niet mag.
Als een grote roze kwal met knoopjes drijft het weg.
Ze zuigt haar longen vol lucht,
Strijkt zich uit.
Het water is wijd en ze botst nergens tegenaan.
Nog even,
Denkt ze,
Nog een klein stukje.
Ze gaat straks heus wel weer terug.
Vast nog wel op tijd voor de thee.
Meeuwen zeilen boven haar.
Vissen zwemmen onder haar.
Er is ruimte voor alles.
De grote,
De grote,
Zingt de matroos in haar hoofd.
De grote is zo wijd.
In de glinstering van de zon op het water lijkt het of ze iets ziet.
Alsof in de verte een boot aankomt varen.
Verbeelding natuurlijk,
Maar ze ziet het toch.
Steeds even wel,
Dan weer niet,
Dan weer wel.
Daar is-ie dan,
Denkt ze,
Eindelijk.
Dan is het vandaag,
Die blijde dag.
Een zeil zo wit als een gebit.
Zal ze zwaaien?
Hierheen,
Prins.
Maar ze is nat en ontoombaar.
En nog steeds veel te groot en te behaard en half bloot ook nog.
Ze zwaait niet.
Laat maar,
Denkt ze,
Ik hoef niet.
Ik hoef geen prins meer.
Hojo,
Prinses,
Roept een stem over het water.
De boot stuurt haar kant op.
Het is een vrachtboot,
Ziet ze,
Met een flinke ijzeren boeg.
Iemand buigt zich over de reling en zwaait.
Ze ziet dat er een vlaggetje hoog in de mast is geknoopt.
Als de boot dichterbij vaart,
Kan ze lezen wat er op geborduurd staat.
Gebult is een schone zaak.
TV GELDERLAND 2021.
Maak kennis met je leraar
4.5 (11)
Recente Beoordelingen
More from Rianne Schoenmakers
Gerelateerde Meditaties
Verwante Leraren
Trusted by 35 million people. It's free.

Get the app
