
De kracht van de kerstster
Ontdek de kracht van de kerstster in deze warme en magische bewerking van het kerstverhaal. Over een herder, een herbergier, een reizend echtpaar op een ezel en een wonder in de nacht. Te beluisteren voor kinderen en volwassenen.
Transcript
Wat een leven,
De herbergier mopperde.
Al dagen was hij bezig met soep maken,
Brood pakken,
Tafels poetsen,
Bedden dekken.
Zijn handen waren ruw van het glazen spoelen,
Zijn lijf was moe van het vele staan.
Alle kamers van zijn herberg waren vol,
Al dagen,
En ook waren elke middag en elke avond al zijn tafels bezet.
Zijn gasten waren reizigers op weg naar hun geboortestad.
Iedereen wilde een bord met warm eten en een plek om te rusten.
De herbergier schepte soep in de borden,
Zijn vrouw serveerde ze uit.
Dat deden ze al jaren en morgen zou het precies hetzelfde zijn.
De herder blies in zijn handen,
Zijn schapen waren dicht bij elkaar om hem heen gekropen,
Maar nog had hij het fris.
Een vochtige kou kroop onder zijn huid.
Morgen zou hij in Bethlehem aankomen,
De plek waar hij geboren was.
Maar hij was al zo lang van huis,
Hij kon zich niet eens meer herinneren hoe thuis er eigenlijk uitzag.
Voor hem was thuis zijn lijf,
Zijn schapen,
Zijn hond en zijn dagelijkse soep met brood.
En thuis was vooral zijn vrijheid.
En nu moest hij iets.
Keizer Augustus had het hele volk opgeroepen naar zijn geboortegrond te gaan,
Omdat er een volkstelling gehouden moest worden.
De herder vond het onzin,
Hij wilde vrij zijn,
Vrij van regels en bemoeienis.
Dat was tenslotte de reden geweest dat hij van huis was weggegaan ooit.
De hond van de herder kwisperde,
Jij bent nieuwsgierig of heb je honger?
Ga maar vast op onderzoek en neem het lekkers mee.
De jongen aaide zijn vriend,
Die keek hem even diep in de ogen aan.
En toen,
Alsof hij begreep wat de opdracht was,
Rende hij in de richting van de stad.
De jongen keek hem na.
Daarna legde hij zijn hoofd tegen het lijf van een van de schapen.
De avond viel,
Het werd donker,
De jongen doop wat dieper weg in zijn jas.
Jozef praatte zachtjes in zichzelf,
Alsjeblieft,
Laat ons een warme,
Beschutte plek vinden.
Naast hem liep zijn ezel met daarop Maria,
Zijn zwangere vrouw.
Ze liepen al dagen en waren er bijna,
Maar het ging niet snel genoeg.
Hun kindje kon elk moment geboren worden.
Maria had behoefte aan een plek waar dat kon gebeuren.
Een plek met warmte en water,
Maar geen enkele herberg had ruimte voor hen.
Vol,
Werd overal geroepen.
Geen kamers vrij,
Niks meer.
Jozef keek naar zijn vrouw op de ezel.
Ze glimlachten nog steeds.
Ons kindje vindt dat geschommel heerlijk,
Zei ze.
Een hond kwam door de drukke straat naar hen toegerend.
Hij sprong tegen Jozef op en begon aan zijn mantel te snuffelen.
Jozef lachte en aaide het beest.
Sorry,
Makker,
Ik heb niks voor je.
Niks anders dan een ei over je kop.
Jozef keek naar Maria.
Die vreef nu vermoeid over haar buik.
Zullen we het hier nog eens proberen?
Vroeg Jozef.
En hij stopte voor een herberg.
De herbergier zuchte,
Even rusten.
Al zijn gasten zaten aan tafel en aten.
Soep en brood,
Worst en kaas.
Het leek een feest daar binnen,
Maar de herbergier voelde zich leeg.
Net zo leeg als die ene kamer in zijn herberg.
Hij stade naar buiten.
Nog steeds was er druk op straat.
Zijn blik gleed over de gezichten.
Zijn vrouw zei dat het allemaal wel goed zou komen,
Dat liefde zijn weg wel vindt.
Maar ja,
Hij wist het niet zeker.
Hij wist niet eens of hij die liefde nog wel vertrouwde.
Zag hij daar?
Was dat?
Of verbeeldde hij het zich?
De herbergier schrok op.
Voor het venster stond een man.
Die hief zijn hand op en wees naar een vrouw op een ezel.
Duidelijk hoogzwanger zag de herbergier.
Even dacht hij aan die ene lege kamer die hij over had.
Toen schudde hij zijn hoofd.
Vol,
Riep hij.
Hij draaide zich om en ging weer aan het werk.
De herder wachtte bij zijn schaap op zijn hond.
Het werd steeds kouder.
Mist trok over de velden.
De lichtjes in de verte werden vager.
Wat zou hij mogen doen?
Toch maar naar bed,
Leem.
De jongen keek naar de mistige slierten rond zijn kudde.
Hij had ontdekt naar de hemel en de aarde te kijken,
De fluisteringen van de natuur te volgen.
Op die manier had hij de mooiste mensen ontmoet en de prachtigste dingen gezien.
Hij was vrij.
Jozef zuchte.
Hij keek bezorgd naar zijn vrouw.
Zullen we hier op straat maar rusten?
Hier is het veiliger.
Zijn hier mensen om ons heen?
Maar Maria schudde van nee.
Ze wees naar het donker,
Naar de velden in de verte waar het steeds mistiger werd.
Daarheen,
Fluisterde ze.
Daar is een plek om te schuilen.
Ze liepen verder in de richting van de mist.
De herbergier was klaar.
Alle buiken waren gevuld.
Alle mensen waren naar hun kamers.
Hij ruimde het eten op en spoelde de bekers.
Buiten zat een hond te janken.
De herbergier werd er onrustig van.
Hij opende de deur.
Ga toch weg,
Wilde hij roepen.
Maar de hond vloog naar binnen en gristte een brood van de kast.
Scher je weg,
Riep de herbergier boos.
Daar werk ik niet voor.
Hij rende hem na,
Maar de hond was al verdwenen.
Het werd mistig.
Het eind van de straat was al niet meer te zien.
Jozef opende een hekje en liet de ezel met Maria roppen door.
Toen hoorde hij geblaf.
De hond die hij net nog op straat had gezien,
Rende hem voorbij het donker in.
Die gaat terug naar huis,
Riep Jozef lachend.
Wij allemaal,
Zei Maria,
Die een hand op haar buik hield.
Ik weet het zeker.
Ze volgde de hond en na een kilometer of wat stond daar een stal.
Ik wist het,
Zei Maria en ze legde haar hand op haar buik.
Dankjewel,
Fluisterde ze zacht.
In de stal stond een os.
We komen je gezelschap houden,
Jongens,
Zei Jozef.
Maria kreeg een lachbuis.
Zij zag het al helemaal voor zich,
Hoe haar kindje hier naast die os geboren zou worden.
Jozef schudde zijn hoofd.
Nee,
Nee,
Dat gebeurt niet.
Nog even volhouden.
Hij maakte het vuur aan en toen dat brandde,
Bouwde hij van stro een bed om op te liggen.
Jozef en Maria kropen dicht tegen elkaar aan.
Jozef sloeg zijn mantel om Maria heen en legde zijn hand op haar buik.
Ons kindje wordt heus niet geboren in een stal,
Zei Jozef.
Of juist wel,
Fluisterde Maria en toen ze dat zei,
Schopte de baby in haar buik.
Hé,
Riep Jozef,
Ik voel ons kindje.
Meteen daarna werd zijn hand helemaal warm,
Alsof de buik van zijn vrouw een kacheltje was om zich aan te warmen.
Een veilig warm vuur.
Vannacht gebeurt het,
Ik voel het,
Zei Maria.
In de verte hoorde de herder een geluid dat hij herkende uit duizenden.
Daar was hij,
Zijn trouwe,
Lieve hond,
Met een brood in zijn bek.
Eerlijk gestolen,
Dacht de jonge glimlachend.
Hij klopte zijn vriend op zijn zij en aaide hem.
Hij brak het brood en gaf de hond een stuk.
Hoe was het in Bethlehem,
Vroeg hij aan het dier.
Die ging voor hem liggen en hief zijn kop op.
Zijn diepbruine ogen keken hem aan op een bijzondere manier.
Wat wil je zeggen,
Vroeg de herder.
Even blafte de hond.
Toen keek hij omhoog,
Naar de lucht.
Ook de jongen keek.
En meteen zag hij iets magisch.
Het wolkendek ging open.
De maan scheen fel in zijn gezicht.
Zijn schapen begonnen onrustig te blaten en zijn hond sprong tegen hem op.
Toen zag de jongen de ster.
Een ster zo groot en fel,
Dat betekende maar één ding.
Daar gaan we naartoe,
Zei de jongen vastberaden en zijn hond blafte van blijdschap.
De herbergier kon niet slapen.
Hij staarde uit het raam.
Zag hij daar?
Of toch niet?
Kom toch naar bed,
Zei zijn vrouw.
Maar de herbergier zei niks.
De leegte knaagde.
Zijn schuldgevoel werd steeds groter.
Hij had die mensen niet binnengelaten.
De herbergier staarde in de verte richting de velden.
En daar in de lucht zag hij een ster.
Een bijzondere,
Grote,
Felle ster.
Hij straalde sterker dan alle anderen.
De herbergier werd helemaal warm van binnen.
Wat was dat nou?
Zoiets had hij nog nooit gevoeld.
Ga maar,
Zei zijn vrouw,
Die naast hem was komen staan.
Ze gaf de herbergier zijn jas aan.
En neem wat eten voor hem mee.
De man kuste zijn vrouw.
Toen pakte hij een kist vol waterbrood,
Soep en dekens.
Ik hoop dat ze de stal gevonden hebben,
Zei hij.
En hij ging op pad.
Onder de ster stond de stal.
De jongen huilde.
Zijn hond sprong opgewonden tegen hem op.
Papa schuur,
Fluisterde hij.
In gedachten zag hij zichzelf als kleine jongen,
Spelend in het stro.
Hij zag weer voor zich hoe hij en zijn vader de stal uitmesten.
Hoe hij zijn moeder hielp bij het oogsten van de groente uit de moestuin.
Een warm gevoel stroomde door zijn lijf.
Thuis,
Zei hij,
Met een brok in zijn keel.
De jongen opende de deur.
Meteen sloot hij hem weer.
In de stal waren mensen.
Kom maar binnen,
Riep een stem.
Voorzichtig ging de herder naar binnen.
Hij zag een vriendelijke man en een vrouw bij het vuur.
Een baby dronk melk aan haar borst.
De herder kon zijn ogen er niet van afhouden.
Een wonder,
Stamelde hij.
Precies op dat moment draaide de baby zijn hoofd en keek hem aan.
In de ogen van de baby zag de herder zichzelf.
Een tinteling stroomde door zijn lichaam.
Het leek op het gevoel dat hij had als alles goed was.
Wanneer hij met zijn schapen op een prachtige waaiende zon stond,
Bijvoorbeeld,
En hij zich eenvoelde met alles om hem heen.
Nu voelde hij zich een met alles hier.
Met deze mensen.
Met zijn herinneringen aan vroeger.
De stal.
De stad.
De ogen van de baby straalden als de ster aan de hemel.
Wilt u brood?
Vroeg hij verlegen aan de vrouw.
Het is niet veel,
Maar u mag het hebben.
Maria knikte en pakte het brood dankbaar aan.
Ze had honger gekregen.
Dankjewel,
Zei ze.
Stil at ze van het brood.
De jongen keek naar de baby.
De hond legde zijn kop op zijn schoot.
Weer klonk geklop.
Jozef opende de deur.
Daar stond de man van vanmiddag.
De herbergier die geen kamer meer vrij had.
Dag,
Zei de herbergier.
Ik hoopte al dat u hier zou zijn.
Ik heb brood en soep en dekens.
Het spijt me dat ik jullie niet binnen liet.
Ik had nog één kamer,
Maar ik was bang.
Ik wist niet.
Weet u,
Ik wacht op mijn zoon.
Die kamer staat al jaren leeg voor het geval dat hij thuis wil komen.
De jongen had alles gehoord.
Hij staarde naar de baby in de arm van Maria.
Hij zag hun liefde.
En hij voelde weer alles tintelen.
Toen draaide hij zich naar de man bij de deur.
Dag,
Pap,
Zei hij rustig.
Mag ik naar huis komen?
De herbergier keek naar de herder en viel op zijn knieën.
Mijn zoon,
Riep hij luid.
Daarna keek hij naar Maria en de baby aan haar borst.
Het is een wonder,
Zei hij.
En ze omhelst elkaar.
In die innige omhelzing voelde de herder en de herbergier iets bijzonders.
Iets dat ze beide vergeten waren.
De herder keek naar de baby,
Die hem strak aankeek met zijn grote ogen en open blik.
Een kracht die jullie altijd bindt,
Hoorde de herder hem zeggen in gedachten.
De liefde,
Fluisterde de herder.
En hij lachte naar zijn vader.
De liefde!
Maria glimlachte.
Jozef vloeg een arm om haar heen.
Hij gaf een kus op het hoofd van baby Jezus.
Die is er altijd,
Al lijkt hij nog zo ver weg.
Boven de stad stond een felle ster aan de hemel.
Hij straalde als nooit tevoren.
Thuis gooide de herbergier zijn herberg open.
Hij is thuis,
Riep hij naar zijn vrouw en alle mensen in de herberg en op straat.
Het is feest!
De hond sprong tegen de herbergier op.
Waag het niet nog een brood te stelen,
Zei die streng.
En toen knuffelde hij het dier.
Muzikanten speelden een lied.
De herbergier en zijn vrouw dansten.
Alle mensen op straat lachten en zongen.
Waarom,
Dat wisten ze niet precies.
Maar ze moesten wel,
Want er schitterde iets in de ogen van die herder en die herbergier en zijn vrouw.
Iets dat ten heet denken aan.
Wat was het ook alweer?
De herder lachte.
Hij knuffelde zijn hond.
Hij voelde zich vrij.
En hij wist weer hoe thuis nog meer voelde.
Vannacht was er nog een heel speciaal gevoel bijgekomen.
Hij keek dankbaar naar de sterren over de stal,
In de verte.
Die leek naar hem te klikogen.
De liefde die alles verbindt,
Fluisterde de jongen zacht.
En zo was het.
Maak kennis met je leraar
Gerelateerde Meditaties
Trusted by people. It's free.

Get the app
