
Kinderverhaal - Vijay's Nieuwe Fiets
Let op: dit verhaal is spannend. Vijay komt in een gevaarlijke situatie terecht en moet hard fietsen om te ontsnappen. Daarom is het vooral geschikt voor kinderen vanaf ongeveer 7 of 8 jaar. Luister gerust eerst zelf, of samen met je kind, om te voelen of het past. [Het verhaal loopt goed af en eindigt rustig.] Dit is een kort Indiaas verhaal over Vijay die weer op avontuur gaat.
Transcript
Korte Indiase verhalen Fiji's nieuwe fiets Fiji had onlangs van zijn vader een nieuwe fiets gekregen toen Fiji naar de middelbare school moest gaan.
In zijn dorp was er geen middelbare school en om naar school te moeten gaan zou hij iedere dag een stuk bos moeten doorkruisen.
Op de fiets zou dat veel sneller gaan.
Op een warme namiddag,
Toen Fiji nog bij zijn vriend en klasgenoot Gaurav in het andere dorp was,
Stond hij op het punt om op zijn fiets te stappen.
Maar plots zag hij rook opstijgen vanachter de verre rij bomen.
Het lijkt op een bosbrand,
Zei Gaurav.
Het is ver naar het oosten,
Zei Fiji,
Nergens langs de weg.
Er staat een harde wind,
Zei Gaurav,
Kijkens naar de dore bladeren die over de weg dwarrelden.
Het was half mei en het had al weken niet geregend.
Het gras was bruin,
De bladeren van de bomen bedekt met stof.
En ook al liep het tegen zes uur s'avonds,
De shirts van de jongens waren vochtig van het zweet.
Het wordt snel donker,
Zei Gaurav.
Je kunt beter bij mij overnachten.
Nee,
Zei Fiji.
Hij had tegen zijn vader gezegd dat hij vanavond thuis zou zijn.
Het gaat niet goed met zijn vader en de dokter had hem wat pillen voor zijn vader gegeven.
Dan kun je maar beter opschieten,
Het vuur lijkt zich te verspreiden.
Oh,
Het is ver weg.
Het kost me slechts veertig minuten om door het bos te rijden.
Dag Gaurav,
Tot morgen.
Fiji stapte op zijn fiets en fietste weg over de hoofdweg van het dorp.
Langs de loslopende kippen,
Loslopende honden en mensen uit het dorp.
Hé,
Kijk waar je heen gaat,
Schreeuwde een boze dorpeling,
Terwijl hij uit de weg van de tegemoetkomende fietsers sprong.
Denk je dat die weg van jou is?
Jazeker,
Riep Fiji vrolijk en fietste verder.
Fiji gaf niet zoveel om school en vond dat er niet genoeg vakanties waren.
Maar hij genoot van de lange ritten door het bos en kon goed opschieten met zijn klasgenoten.
Hij had de nacht bij Gaurav kunnen blijven,
Maar de pillen die de dorpsdokter hem voor zijn vader had gegeven waren belangrijk.
Fiji's vader had rugklachten en de pillen waren speciaal gemaakt van lokale kruiden.
Omdat Fiji zo'n mooie fiets had gekregen,
Vond hij het een kleine taak om iets terug te doen voor zijn vader.
En om die pillen zo snel mogelijk bij zijn vader te brengen.
Hij boog zijn hoofd een beetje naar beneden en reed snel het dorp uit.
Voor hem steeg de rook op uit het brandende bos en de lucht kleurde langzaam rood.
Al snel had hij het dorp ver achter zich gelaten.
Er was een lichte klim en Fiji moest harder op de pedalen trappen om over de helling heen te komen.
Eenmaal over de top slingerde de weg naar de bosrand.
Dit was het onderdeel waar Fiji het meest van genoot.
Hij ontspande,
Stopte met trappen en liet de fiets zachtjes de helling afgeleiden.
Al snel raasde de wind langzaam heen,
Blies zijn haar voor zijn gezicht en deed zijn overhemd achter hem uitwaaieren.
Naast hem liep een hond uit het dorp,
Blaffend met hem mee.
Fiji schreeuwde naar de hond en moedigde hem aan in de race.
Toen de weg weer plat werd,
Begon Fiji weer te trappen.
De hond die het bos voor zich zag,
Keerde terug naar het dorp.
Hij was bang voor het bos.
De rook was nu dikker en Fiji rook de geur van brandend hout.
Maar voor hem was de weg vrij.
Hij reed door.
Het was een ruige,
Stoffige weg dwars door het bos.
Aan weerszijden groeiden hoge bomen die het laatste daglicht tegenhielden.
Meestal was de weg verlaten.
Maar deze avond leefde het van wilde dieren die op de vlucht waren voor de bosbrand.
Het eerste dier dat Fiji zag was een haas die voor hem over de weg sprong.
Het werd gevolgd door nog een aantal hazen.
Toen rende een groep apen over,
Opgewonden kwebbelend.
Aan de andere kant zijn ze veilig,
Dacht Fiji.
Het vuur zal de weg niet oversteken.
Maar het kwam dichterbij.
En toen hij dit besefte,
Trapte Fiji harder.
Over een half uur zou hij uit het bos moeten zijn.
Plotseling,
Vanaf de kant van de weg,
Steeg verschillende vazanten de lucht in.
En vlogen met een zuizend geluid,
Laag over het pad.
Vlak voor de tegemoetkomende fietser.
Overrompeld viel Fiji van zijn fiets af.
Toen hij opstond en zijn kleren begon te poetsen,
Zag hij dat zijn knie bloedde.
Het was geen diepe snee.
Hij haalde zijn zakdoek tevoorschijn en verbond zijn knie.
Daarna klom hij weer op zijn fiets.
Hij reed nu wat langzamer,
Omdat er steeds vogels en dieren waren.
Uit de bosjes kwamen en de weg overstaken.
Niet alleen vazanten,
Maar ook kleinere vogels stroomden over de weg.
Papagaaien,
Junglekraaien,
Uilen en eksters.
De lucht was gevuld met hun kreten.
Iedereen is in beweging,
Dacht Fiji.
Het moet een hele grote brand zijn.
Hij kon de vlammen zien die vanachter de bomen aan zijn rechterkant uitstaken.
En hij kon het geknetter horen van de droge bladeren die in de brand vlogen.
De lucht was heet op zijn gezicht.
Bladeren,
Nog brandend of in as aan het veranderen,
Zweefden voorbij.
Een kudde herten stak de weg over.
En Fiji moest stoppen totdat ze voorbij waren.
Toen steeg hij weer op en reed verder.
Maar nu was hij voor het eerst bang.
Van voren klonk een zwaar geluid.
Het was geen dierlijk geluid.
Daar was Fiji zeker van.
Een brandweerwagen?
Er waren geen brandweerauto's in deze omgeving.
Het gekletter kwam dichterbij en Fiji ontdekte dat het geluid afkomstig was van een kleine jongen die over het bospad rende.
Met twee melkbussen in zijn handen,
Kletterend naast hem.
Rahul,
Riep Fiji.
Hij kende de geluid niet.
Rahul,
Riep Fiji.
Hij kende de jongen uit een naburig dorp.
Wat doe jij hier?
Ik probeer natuurlijk naar huis te gaan,
Zei Rahul,
Heigend naast de fiets.
Spring erop,
Zei Fiji,
Terwijl hij voor hem bleef staan.
Rahul was pas acht of negen,
Een paar jaar jonger dan Fiji.
Hij was gekomen om melk te leveren aan enkele wegwerkers.
Maar de arbeiders waren vertrokken bij de eerste tekenen van brand.
En Rahul haaste zich naar huis met zijn blikken nog vol melk.
Hij klom op de stang van de fiets en Fiji ging weer verder.
Hij was gewend om vrienden mee te nemen op de stang van zijn fiets.
Blijf maar op je melkbussen slaan,
Zei Fiji.
Zo weten de dieren dat we eraan komen.
Mijn bel maakt niet genoeg geluid.
Ik ga een klakson halen voor mijn fiets.
Ik heb nooit geweten dat er zoveel dieren in de jungle waren,
Zei Rahul.
Ik zag een python midden op de weg.
Het strekte zich helemaal uit.
Wat heb je gedaan?
Gewoon blijven rennen en er meteen overheen gesprongen.
Rahul bleef kletsen,
Maar Fiji dacht aan het vuur,
Dat nu veel dichterbij was.
Vlammen schoten omhoog uit het droge gras en schoten langs de stammen van bomen en langs de takken.
Rook kringelde uit boven het bos.
Fiji's ogen deden pijn en zijn haar en wenkbrauwen voelden verbrand aan.
Hij voelde zich moe,
Maar hij kon nu niet stoppen.
Hij moest buiten het bereik van het vuur komen.
Nog tien of vijftien minuten gestaag rijden zou hem naar de kleine houten brug brengen,
Die het riviertje overspande,
Dat het bos scheide van de suikerrietvelden.
Eenmaal over de rivier stond hij,
Eenmaal over de rivier zouden ze veilig zijn.
Het vuur kon hen aan de andere kant niet raken,
Want het bos eindigde aan de oever van de rivier.
Maar zouden ze op tijd bij de rivier kunnen komen?
Klank,
Klank,
Klank,
Gingen Rahuls melkbussen.
Maar de geluiden van het vuur werden ook luider.
Een hoge boom,
Waarvan de takken over de weg leunden,
Had vlam gevat.
Ze waren er bijna onder toen er een klap was en een paar meter voor hen een brandende tak op de grond viel.
De jongens moesten van de fiets stappen en de weg verlaten.
Ze baanden zich een weg door een weerwar van doornige struiken aan de linkerkant.
De fiets meeslepend en pas een eindje voorbij de brandende boom konden ze weer op de weg terugkeren.
We komen er niet op tijd uit,
Zei Rahul,
Terug op de stang van de fiets,
Maar ontmoedigd.
Ja,
We redden het wel,
Zei Vijay,
Uit alle macht trappend.
De brand is de weg nog niet overgestoken.
Terwijl hij sprak,
Zag hij een kleine vlam opspringen uit het gras aan de linkerkant.
Het zou niet lang duren voordat er meer vonken en brandende bladeren over de weg werden geblazen,
Om het gras aan de overkant te ontsteken.
O,
Kijk,
Riep Vijay uit,
Terwijl hij de fiets plotseling tot stilstand bracht.
Wat is er nu aan de hand,
Vroeg Rahul,
Terwijl hij in zijn zere ogen vreef.
En toen,
Door de rook heen,
Zag hij wat hen tegenhield.
Midden op de weg stond een olifant.
Rahul gleed van de stang,
Waardoor zijn blikken met melk over de grond rolden,
Openbarsten en de inhoud ervan morste.
De olifant was ongeveer tien meter verderop.
Hij bewoog zich rusteloos in het rond.
Zijn grote oren wapperden terwijl het zijn kop heen en weer draaide,
Zich afvragend welke kant hij op moest.
Van helemaal links,
Waar het bos nog ongerept was,
Trok een kuddeolifant richting de rivier.
De leider van de kudde hief zijn slurf op en bazuinde een roep.
Toen hij het hoorde,
Hief de olifant op de weg zijn slurf op en bazuinde een antwoord.
Toen slofte het weg,
Het bos in,
In de richting van de kudde,
De weg vrijmakend.
Kom,
Rahul,
Spring weer op de fiets,
Drong Vijay aan,
We kunnen hier niet lang meer blijven.
Rahul vergat zijn melkbussen en heeft zich op aan de stang.
Vijay rende naar voren met de fiets om snelheid te maken en klom er snel op.
Hij reed zoveel mogelijk aan de linkerkant van de weg en probeerde de vlammen,
Het geknetter,
De rook en de verzengende hitte te negeren.
Het leek erop dat alle dieren die konden ontsnappen,
Dat hadden gedaan.
De uittocht aan de overkant was gestopt.
We stoppen niet nog een keer,
Zei Vijay,
Tandenknarsend.
Zelfs niet voor een olifant.
We zijn er bijna,
Zei Rahul.
Hij was weer aan het opknappen.
Een jakhals,
Bevangen door de hitte en de rook,
Lag midden op het pad,
Dood of bewusteloos.
Vijay stopte niet,
Hij zwenkte om het dier heen.
Daarna stopte hij al zijn kracht in de laatste poging om de rivier te bereiken.
Hij legde de laatste honderd meter met topsnelheid af.
En toen waren ze het bos uit,
Freewheelend over de glooiende weg naar de rivier.
Kijk,
Riep Rahul,
De brug staat in brand.
Glooiende stukken hout waren naar de kleine houten brug gedreven en de droge,
Oude houtjongen vatten snel vlam.
Het brandde nu hevig.
Vijay aarzelde niet.
Hij verliep de weg en fietste over zand en kiezels.
Toen gingen ze met een stormloop de rivieroever af en het water in.
Voor ze het wisten,
Waren ze aan het rondlopen.
En probeerden ze elkaar in de duisternis te vinden.
Help,
Riep Rahul,
Ik verdrink.
Doe niet zo gek,
Zei Vijay.
Het water is niet diep.
Het komt alleen tot aan de knieën.
Kom hier en grijp me vast.
Rahul spetterde naar de overkant en greep Vijay bij de riem.
Het water is zo koud,
Zei hij klappertandend.
Wil je teruggaan om jezelf op te warmen,
Vroeg Vijay.
Sommige mensen zijn nooit tevreden.
Kom op,
Help me de fiets omhoog te krijgen.
Hij ligt hier beneden,
Precies waar we staan.
Samen wisten ze de fiets uit het water te hijsen en overeind te zetten.
Ga er maar op zitten,
Zei Vijay.
Ik zal je naar de overkant duwen.
We worden weggevaagd,
Zei Rahul.
Nee,
Dat doen we niet.
In deze tijd van het jaar staat er niet veel water in de rivier.
Maar de stroming is vrij sterk in het midden.
Dus blijf stilzitten,
Oké?
Oké,
Zei Rahul,
Zenuwachtig.
Vijay begon de fiets over de rivier te leiden.
Eén hand op het zadel en één hand op het stuur.
De rivier was midden in de zomer ondiep en traag.
Maar toch was er een vrij sterke stroming in het midden van de rivier.
Maar nadat hij vroeg,
Stond hij in de rivier.
Maar nadat hij veilig uit het brandende bos was gekomen,
Was Vijay niet in de stemming om zich door een kleine rivier te laten verslaan.
Hij schopte zijn schoenen uit,
Wetende dat ze verloren zouden gaan.
En toen,
Terwijl hij de gladde stenen van de rivierbedding met zijn tenen vastgreep,
Concentreerde hij zich op het bewaren van zijn evenwicht en het krijgen van de fiets en Rahul door het midden van de stroom.
Het water kwam hier tot aan zijn middel en de stroming zou te sterk zijn geweest voor Rahul alleen.
Maar toen ze het ondiepe water bereikten,
Stapte Rahul af en hielp Vijay met het duwen van de fiets.
Ze bereikten de overkant en lieten zich in het gras zakken.
We kunnen nu rusten,
Zei Vijay.
Maar niet de hele nacht.
Ik moet wat medicijnen aan mijn vader geven.
Hij tastte in zijn zakken en ontdekte dat de pillen in hun envelop een doorweekte puinhoop waren geworden.
Ach,
Nou ja,
Hij moet ze toch met water innemen,
Zei hij.
Ze keken naar het vuur,
Terwijl het zich door het bos bleef verspreiden.
Het vuur was inmiddels de weg overgestoken.
De lucht was felrood en de rivier weerspiegelde de kleur van de lucht.
Verschillende olifanten hadden hun weg naar de rivier gevonden.
Ze koelden af door met hun slurf water op elkaar te spuiten.
En verder,
Stroomafwaarts,
Waren er herten en andere dieren.
Vijay en Rahul keken elkaar aan in de gloed van het vuur.
Ze kenden elkaar nog niet zo goed.
Maar nu hadden ze het gevoel dat ze al jaren vrienden waren.
Waar denk je aan?
Vroeg Rahul.
Ik denk,
Zei Vijay,
Dat zelfs als de brand binnen een dag of twee uit is,
Het nog lang zal duren voordat de brug gerepareerd is.
Dus ik denk dat het een mooie,
Lange schoolvakantie wordt.
Maar je kunt de rivier toch oversteken?
Zei Rahul.
Je hebt het net gedaan.
Onmogelijk,
Zei Vijay.
De stroming is veel te sterk.
Maak kennis met je leraar
4.2 (23)
